1. Wat is uw reactie op het arrest van de Hoge Raad over de hypotheekrenteaftrek van 22 oktober 2004[1]?
1. Het arrest schept duidelijkheid over de vraag in welk geval een geldlening is aan te merken als een schuld die is aangegaan voor verbetering of onderhoud van een eigen woning. Dit was van belang voor de rentevrijstelling uit het tot 2001 geldende belastingstelsel. Vanaf 2001 is dezelfde vraag van belang voor de kwalificatie van een lening als eigenwoninglening, zodat het arrest ook daarover helderheid biedt.
2. Wordt door de Belastingdienst tot op heden betekenis toegekend aan het tijdstip waarop kosten zijn gemaakt indien vaststaat dat geld geleend is voor onderhoud of verbetering van een eigen woning?
2. Ja. Dit blijkt onder meer uit het besluit van 4 juli 2003, nr. CPP2003/1254M, BNB 2003/282, waarin is aangegeven dat een bouwdepot en de daarmee samenhangende schuld in beginsel behoren tot de rendementsgrondslag in box III. Om praktische redenen is in dat besluit overigens goedgekeurd dat afwikkeling van lening en bouwdepot gedurende twee jaar in box I kan plaatsvinden, waarbij de betaalde rente wordt gesaldeerd met de ontvangen rente op het depot. Doordat de ontvangen depotrente wegvalt op het moment waarop de lening wordt aangewend voor onderhoud of verbetering van eigen woning, is het materiële gevolg dat de betaalde rente pas vanaf dat tijdstip in aftrek komt.
3. Welk standpunt heeft u ten aanzien van deze kwestie ingenomen in de procedure die leidde tot voormeld arrest?
3. In de bedoelde zaak had de belanghebbende geld geleend voor een verbouwing. Een deel van dit bedrag gebruikte hij voor de aanschaf van een auto. Nadien betaalde hij de verbouwing uit zijn spaargeld. In het beroepschrift in cassatie heb ik aangevoerd dat aldus het vereiste causale verband tussen de geldlening en de verbouwing ontbrak. De Hoge Raad acht dit verband echter wél aanwezig, nu de belanghebbende de lening was aangegaan met het oogmerk om de verbouwing te financieren en nu hij na aanschaf van de auto een zelfde bedrag aan liquide middelen beschikbaar had voor het betalen van die verbouwing. De omstandigheid dat hij de opgenomen lening niet strikt had gescheiden van de rest van zijn vermogen bracht volgens de Hoge Raad geen verandering in het oogmerk waarmee de lening is aangegaan. De rechter voegde daaraan wel toe dat de lening pas als eigenwoninglening wordt behandeld voorzover en vanaf het moment waarop betaling voor verbetering of onderhoud heeft plaatsgevonden.
4. Was de beslissing van de Hoge Raad voor de betrokkenen redelijkerwijs te voorzien, mede gelet op de afwijkende conclusie van het Gerechtshof en de Advocaat-Generaal?
4. Op het punt waarover is geprocedeerd, het causale verband tussen de schuld en de verbouwing, en de vraag of daartoe bedragen en tegoeden strikt gescheiden dienen worden gehouden, zal de beslissing van de Hoge Raad voor betrokkenen geen verrassing zijn. De rechter heeft immers het standpunt van de belanghebbende op dit punt gevolgd en daarmee dat van de Belastingdienst verworpen.
Wat betreft het moment waarop de lening als eigenwoninglening kan worden beschouwd, stemt het arrest overeen met het in antwoord 2 geschetste beleid en met de wetsgeschiedenis van de Wet IB 2001. In het mondeling wetgevend overleg van 17 en 21 januari 2000 inzake de Belastingherziening 2001[2] heeft de toenmalige Staatssecretaris van Financiën benadrukt dat pas nadat daadwerkelijk is betaald, en de betaling kon worden aangetoond met schriftelijke bewijsstukken, recht op renteaftrek bestaat.
5. Deelt u de mening dat dit arrest niet mag leiden tot een feitelijke beperking van de hypotheekrenteaftrek?
5. Het arrest leidt niet tot beperking van de renteaftrek.
6. Leidt het arrest tot hogere uitvoeringskosten bij de Belastingdienst?
7. Leidt het arrest tot hogere administratieve lasten bij belastingplichtigen die de verbouwingskosten middels een hypotheek(verhoging) financieren?
8. Welke aanpassingen voorziet u in de huidige uitvoering door deze beslissing van de Hoge Raad? Op welke termijn?
9. Kunt u aangeven hoe u denkt te voorkomen dat de Belastingdienst én belastingplichtigen met complexe administratieve handelingen geconfronteerd worden?
10. Wordt daarbij het belang van de belastingplichtigen vóór dat van de Belastingdienst geplaatst ten einde te voorkomen dat de belastingaangifte complexer wordt dan zij al is?
6 tot en met 10. Uit het arrest volgt dat na het afsluiten van een lening voor verbetering of onderhoud geen nauwkeurige afbakening van geldstromen nodig is. Het arrest brengt daarmee een verlichting van de administratieve werkzaamheden van de belastingplichtige mee.
Om de renteaftrek bij leningen voor verbetering of onderhoud te kunnen bepalen, zouden betalingen wel steeds moeten worden gestaffeld omdat pas vanaf het betalingsmoment de lening voor dat deel als eigenwoninglening kan worden aangemerkt. In de praktijk is dit niet altijd gemakkelijk, terwijl het daarmee gemoeide belang bij leningen voor onderhoud of verbouwing doorgaans gering is en de betalingen zich uitstrekken tot een betrekkelijk korte periode. Dit uitvoeringsprobleem was al eerder ingezien en heeft geleid tot het genoemde besluit BNB 2003/282, dat hiervoor een praktische oplossing bood.
Strikt genomen bestaat voor een deel van die oplossing, het salderen van betaalde rente met ontvangen depotrente, na het arrest geen ruimte meer. De Hoge Raad acht een afzonderlijke administratie van niet-opgenomen gelden immers niet vereist, zodat het niet goed mogelijk is om het niet-aangewende deel van de lening te stellen tegenover concrete rente-inkomsten waarmee gesaldeerd moet worden. Niettemin wil ik die oplossing handhaven voor belastingplichtigen die bereid zijn het opgenomen bedrag in een afzonderlijk depot te houden. Daarnaast zal ik onpraktische gevolgen voorkomen door goed te keuren dat gedurende een half jaar na het sluiten van een lening die is aangegaan voor verbetering of onderhoud, renteaftrek over het volle bedrag van de lening kan worden verleend. Mochten na afloop van deze periode de verbeterings- of onderhoudswerkzaamheden nog niet zijn voltooid, dan zal pas vanaf dat moment de renteaftrek worden berekend met inachtneming van de betaaldatum, waarbij desgewenst ook kan worden volstaan met het salderen van betaalde rente met depotrente. Uiteraard zullen alle kosten uiteindelijk wel met schriftelijke bescheiden moeten worden gestaafd, zoals de wet vereist.
Deze aanpassing zal ertoe leiden dat de bepaling van de renteaftrek zonder verhoging van uitvoeringskosten en administratieve lasten kan geschieden. Een en ander zal ook niet leiden tot een complexere aangifte.
11. Bent u bereid, mede ten behoeve van de praktische uitvoerbaarheid, om de wet zodanig te wijzigen dat expliciet wordt bepaald dat voor de aftrekbaarheid van rente geen betekenis toekomt aan het tijdstip waarop kosten voor onderhoud of verbouwing van ene eigen woning worden gemaakt, mits voor het overige aan alle voorwaarden voor aftrek is voldaan? Zo nee, bent u dan bereid om een dergelijke wetswijziging door te voeren voor gevallen waarin de uitgaven zijn gedaan binnen een bepaalde periode (bv. een jaar) na het afsluiten van de lening?
11. Met de voorgenomen aanpassingen van het besluit BNB 2003/282 worden eventuele uitvoeringsproblemen voorkomen. Een voorstel tot wetswijziging is dan ook niet aan de orde.
12. Heeft het arrest gevolgen voor belastingplichtigen die voor 22 oktober 2004 hun hypotheek hebben verhoogd, bijvoorbeeld t.b.v. een verbouwing? Bestaat het risico dat door deze uitspraak vele belastingplichtigen met terugwerkende kracht een correctie kunnen verwachten?
13. Bent u bereid om belastingplichtigen in ieder geval voor het verleden tegemoet te komen, omdat zij er in redelijkheid niet op voorbereid hoefden te zijn dat de rente over de periode voor het maken van de verbouwingskosten niet aftrekbaar zou zijn, en zij de zaken anders hadden kunnen regelen indien zij daar wel rekening mee hadden kunnen houden?
12 en 13. Het arrest heeft zoals gebruikelijk onmiddellijke werking, waardoor het gevolgen kan hebben voor aanslagen die op 22 oktober 2004 nog niet zijn vastgesteld. In de praktijk zullen deze gevolgen niet ingrijpend zijn, gelet op het reeds gevoerde beleid en de hiervoor bedoelde aanpassingen daarvan.
[1] Nr. 39 082.
[2] (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26 727 en 26 728, nr. 80, blz. 56-57) Deze rubriek wordt verzorgd in samenwerking met Fiscanet